Persoonlijk voorwoord
Per angusta ad augusta
Ik leef zelf in een intellectuele omgeving van vrienden en kennissen die met politiek bezig zijn, nadenken over de huidige toestand van de wereld en vrijwel zonder uitzondering opvattingen hebben over hoe we van de huidige, in hun ogen onrechtvaardige samenleving, tot een meer rechtvaardige en vreedzame maatschappij zouden kunnen komen.
Mijn punt is hier niet dat men het met hun politieke en maatschappelijke opvattingen eens zou moeten zijn. De inhoud van hun ideeën komt in deze studie dan ook niet ter sprake. Mijn probleem ligt elders. Ik vind de strategieën waarmee zij de door hen gewenste en nastrevenswaardige toestand denken te kunnen realiseren vaak naïef en gebaseerd op verkeerde veronderstellingen over hoe samenlevingen functioneren en, vooral, over hoe daarin doelgericht maatschappelijke verandering tot stand kan worden gebracht.
Indachtig Sun Tzu en zijn The Art of War zou ik mijn dierbare vrienden daarom willen toeroepen: als je de wereld wilt veranderen, moet je eerst begrijpen hóe die wereld verandert. En als je in de politiek je ‘tegenstanders’ wilt verslaan, moet je hen kennen: hun motieven begrijpen, weten waarom zij handelen zoals zij handelen en vooral begrijpen hoe hun ideeën ooit zo maatschappelijk werkzaam konden worden dat zij de bestaande ordening zijn gaan bepalen.
Deze studie probeert op dat punt te helpen.
Ik heb mijn opvattingen over de samenleving daarbij zo wetenschappelijk mogelijk proberen te formuleren. Dat betekent dat de in deze studie beschreven sociologische en psychologische mechanismen open moeten staan voor toetsing, falsificatie en stapsgewijze verbetering. Ik kan het fout hebben. Onderdelen van de theorie kunnen onjuist blijken en de theorie kan ongetwijfeld beter.
Mijn studie politicologie, in de jaren zeventig van de twintigste eeuw aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, bleek opeens verrassend bruikbaar toen ik over deze vragen begon na te denken. De afzonderlijke ideeën die ik gebruik zijn zeker niet allemaal nieuw en ik heb mij laten inspireren door vele oorspronkelijke denkers. Norbert Elias mag daarbij uitdrukkelijk worden genoemd. Wat mogelijk wél nieuw is, is de wijze waarop ik verschillende bestaande inzichten over civiliseren, macht, instituties en maatschappelijke verandering heb samengebracht in één samenhangende theorie.
Daaruit volgt ook een belangrijke toets voor die theorie. Als zij enigszins klopt, moeten de beschreven mechanismen niet alleen gelden voor politieke opvattingen waarmee iemand sympathiseert. Zij moeten werkzaam zijn ongeacht de inhoud van de nagestreefde politieke verandering. Historische maatschappelijke bewegingen en veranderingsprocessen bieden in ieder geval talrijke voorbeelden waarin de hier beschreven mechanismen herkenbaar zijn.
Hoewel het in de theorie volledig besloten ligt, is deze studie bewust geen praktisch receptenboek voor aanstormende revolutionairen geworden. Toch denk ik dat kennisneming van deze visie een politiek gedreven burger iets belangrijks kan leren: welke inspanningen waarschijnlijk weinig zullen opleveren, waarom sommige politieke strategieën telkens lijken vast te lopen en langs welke mechanismen ideeën wél maatschappelijk werkzaam kunnen worden.
Ook die weg biedt geen garantie op succes. Wie de wereld wil veranderen, zal nog altijd over moeilijke en soms nauwelijks begaanbare paden moeten gaan: Per angusta ad augusta.
Door moeilijkheden naar het hogere.
Daarom: The Art of Revolution.
Dick Ahles
Enkhuizen 5 september 2026
Samenvatting
The Art of Revolution ontwikkelt een algemene theorie over het ontstaan, de instandhouding en de verandering van maatschappelijke ordeningen. Uitgangspunt is dat ieder individu beschikt over een historisch gevormde persoonlijke civilisatie: een configuratie van opvattingen en veronderstellingen over de werkelijkheid, normen en waarden, gedragsrepertoires, doelen en idealen. Deze civilisatie ontstaat en verandert voortdurend door civiliseren: het proces waarin civilisatie-elementen worden gevormd, overgedragen, geïnternaliseerd, onderhouden, geïnterpreteerd, gewijzigd, versterkt, verzwakt of afgestoten.
Mensen leven en handelen in concrete sociale verbanden — kringen — zoals gezinnen, organisaties, verenigingen, politieke gemeenschappen en staten. Wanneer leden van een kring voldoende civilisatie-elementen delen om gemeenschappelijke verwachtingen, oordeelsvorming, samenwerking en samenhang mogelijk te maken, ontstaat een kringcivilisatie. Gedeelde elementen daarvan kunnen duurzaam worden vastgelegd in instituties en samenhang krijgen in ideeënstelsels en narratieven. Institutionalisering maakt civilisatie-elementen minder afhankelijk van afzonderlijke dragers en kan de machtsbasis versterken van actoren die binnen of overeenkomstig die instituties handelen. Daardoor kunnen ideeën maatschappelijke macht krijgen.
De theorie beschrijft daarbij twee zichzelf versterkende mechanismen. In de legitimerende civilisatielus brengen kringcivilisaties instituties voort die gezag verkrijgen en vanuit dat gezag uitgangspunten van dezelfde civilisatie bevestigen en legitimeren. In de reproductieve civilisatielus worden individuen binnen bestaande kringcivilisaties geciviliseerd en dragen zij door hun daarop gebaseerde handelen vervolgens bij aan de reproductie van diezelfde civilisatie en haar instituties. Sociale sanctionering, waaronder pathologisering van afwijkende opvattingen, kan deze processen verder ondersteunen.
Persoonlijke civilisaties, kringcivilisaties, sociale verhoudingen en instituties veranderen echter voortdurend en beïnvloeden elkaar wederzijds. Deze veranderingen verlopen niet noodzakelijk gelijktijdig, in hetzelfde tempo of in dezelfde richting. Daardoor kunnen spanningen ontstaan en kunnen veranderingen zich vanuit één kring of institutie naar andere maatschappelijke verbanden verspreiden. Maatschappelijke veranderingsprocessen hebben daarmee een recursief karakter: hun effecten wijzigen opnieuw persoonlijke en kringcivilisaties, sociale verhoudingen en instituties en worden zo zelf oorzaken van verdere verandering. Zij hebben daarom niet noodzakelijk een duidelijk begin- of eindpunt. Doelgericht handelen kan in zulke processen een belangrijke rol spelen, maar maakt het maatschappelijke veranderingsproces als geheel niet volledig doelgericht of beheersbaar.
Politieke verandering kan bovendien verschillen in de mate waarin zij ingrijpt in een bestaande kringcivilisatie. Zij kan betrekking hebben op alternatieve besluiten binnen reeds aanvaarde maatstaven, op wijziging van afzonderlijke civilisatie-elementen, of op een samenhangend geheel van elementen waardoor ook een dominante kringcivilisatie en belangrijke instituties ter discussie komen te staan. Deze vormen zijn analytische categorieën en vormen in de maatschappelijke werkelijkheid eerder een continuüm dan scherp gescheiden typen.
Een beweging kan ontstaan wanneer individuen en kringen duurzaam met elkaar verbonden raken rond een gedeeld of zich ontwikkelend ideeënstelsel. Zij hoeft niet één organisatie te vormen en kan organisch ontstaan of doelgericht worden gevormd en georganiseerd. Binnen een beweging kunnen verschillende kringen, organisaties, media en instituties elk een eigen functie vervullen bij het ontwikkelen, interpreteren, verspreiden, reproduceren en institutionaliseren van civilisatie-elementen. Naarmate een elite als richtinggevend wordt erkend, kan doelgerichte coördinatie en institutionalisering toenemen. Wanneer het ideeënstelsel ook buiten de eigen verbanden wordt geïnternaliseerd en maatschappelijk werkzaam wordt, kan de beweging een breder civilisatieproces op gang brengen.
De staat wordt binnen dit kader opgevat als een bijzondere territoriale kring waarop de algemene theorie van kringen van toepassing is. Binnen zijn territorium kunnen individuen zich niet door eenvoudige uittreding aan collectief bindende regels onttrekken. De staat maakt aanspraak op het exclusieve legitieme gebruik van dwang en kan middelen verplicht laten afstaan voor collectieve doelen. Zijn maatschappelijke werking berust echter ook op geïnternaliseerde en gereproduceerde legitimiteit. De bestuurlijke elite kan besluiten en machtsaanspraken legitimeren als dienend aan het algemeen belang zonder dat die legitimatie door alle burgers volledig wordt gedeeld.
The Art of Revolution beschrijft zo hoe maatschappelijke ordeningen zonder centraal ontwerp ontstaan en veranderen en hoe actoren daarin doelgericht veranderingen proberen te bewerkstelligen. De theorie verklaart hoe ideeën via civiliseren, kringvorming, bewegingen en institutionalisering maatschappelijke macht kunnen verkrijgen, zonder te veronderstellen dat de uitkomsten volledig door actoren kunnen worden beheerst.
The Art of Revolution: theorie
Theorie over civiliseren en maatschappelijke verandering
“For the present I should merely like to understand how it is possible that so many people, so many villages, so many cities, so many nations sometimes endure a single tyrant, who has no more power than they give him, who can harm them only to the extent that they are willing to endure it, and who could do them no injury unless they preferred to tolerate him rather than oppose him. It is remarkable, and at the same time so commonplace, that it should cause more sorrow than astonishment to see a million people bowed beneath the yoke of a wretched servitude, not because they are compelled to do so, but solely, it seems, because they are bewitched and fascinated by the name of one person, whose power they need not fear, since he is only one, and whose qualities they need not admire, since he is inhuman and cruel towards them.”
Étienne de La Boétie, The Discourse of Voluntary Servitude; originally La Servitude volontaire (manuscript, c. 1553; Dutch edition 1997)
“The social constraint towards self-constraint.”
— Norbert Elias (1933)
Persoonlijke civilisatie
Ieder individu beschikt op enig moment over een samenstel van opvattingen en veronderstellingen over de werkelijkheid, normen en waarden, gedragsrepertoires, doelen en idealen. Mensen hebben opvattingen over wat bestaat en wat is gebeurd, over oorzaken en gevolgen, over wat zij als geloofwaardige kennis beschouwen en over welke personen of instituties zij vertrouwen. Zij hanteren maatstaven waarmee zij gedrag, personen en maatschappelijke toestanden als goed of slecht, juist of onjuist, wenselijk of onwenselijk beoordelen. Zij beschikken daarnaast over gedragsrepertoires: handelingsmogelijkheden die zij in uiteenlopende sociale situaties kunnen toepassen. Ten slotte hebben zij voorstellingen van persoonlijke of maatschappelijke toestanden en uitkomsten die zij nastrevenswaardig achten.
Deze elementen kunnen gezamenlijk worden beschouwd als de ideeën die inhoud geven aan wat hier de persoonlijke civilisatie van een individu wordt genoemd. Het begrip civilisatie heeft daarbij geen waarderende betekenis. Het zegt niet dat de ene persoon meer beschaafd, ontwikkeld of moreel beter is dan de andere. Het duidt de historisch gevormde configuratie aan waarmee een individu zijn omgeving interpreteert, situaties beoordeelt en daarin handelt.
Een persoonlijke civilisatie ontstaat niet op één bepaald moment en wordt evenmin ooit definitief voltooid. Zij is het resultaat van een voortdurend proces van waarneming, opvoeding, onderwijs, ervaringen, mediagebruik en interactie met anderen. Vanaf de geboorte wordt een individu geconfronteerd met gedragingen, verwachtingen, verklaringen, beoordelingen en handelwijzen van anderen. Sommige daarvan worden overgenomen, andere verworpen, aangepast of later opnieuw geïnterpreteerd. Ook nieuwe ervaringen kunnen eerder gevormde opvattingen wijzigen, normen relativeren, nieuwe doelen oproepen of bestaande gedragsrepertoires uitbreiden.
Dit voortdurende proces waardoor civilisatie-elementen worden gevormd, overgedragen, geïnternaliseerd, onderhouden, geïnterpreteerd, gewijzigd, versterkt, verzwakt of afgestoten, wordt hier civiliseren genoemd. Civiliseren is daarmee niet slechts opvoeding of onderwijs. Het omvat het gehele proces waardoor persoonlijke civilisaties gedurende het leven ontstaan en veranderen.
De persoonlijke civilisatie structureert in belangrijke mate het alledaagse denken, oordelen, willen en handelen van een individu. Zij bepaalt het gedrag echter niet mechanisch. De feitelijke uitkomst ontstaat in wisselwerking met persoonlijkheidskenmerken en de concrete situatie. Mensen beschikken bovendien over verschillende, soms onderling tegenstrijdige civilisatie-elementen. Welke daarvan in een concrete situatie werkzaam worden, is mede afhankelijk van de kring en de sociale omgeving waarin iemand opereert.
Daarvoor is het nuttig onderscheid te maken tussen kringen en sferen. Een kring is een concreet en herkenbaar sociaal verband van individuen die door min of meer bestendige onderlinge verhoudingen met elkaar verbonden zijn en daardoor wederzijds afhankelijk zijn. Een gezin is een kring, evenals een onderneming, vereniging, politieke organisatie of staat. Een sfeer is geen concrete kring, maar een categorie van kringen met een overeenkomstige maatschappelijke functie en daarmee samenhangende karakteristieke rollen, verhoudingen en verwachtingen.
Eenzelfde individu kan tegelijkertijd deel uitmaken van verschillende kringen en zich daardoor binnen verschillende sociale omgevingen anders gedragen. Iemand kan in een bedrijf sterk hiërarchische verhoudingen vanzelfsprekend vinden en binnen het gezin juist nadrukkelijk gelijkwaardigheid nastreven. Gedragingen die in een sportvereniging passend zijn, kunnen binnen een rechtbank ongepast worden gevonden. Ook normen en waarden kunnen per sfeer verschillen en zelfs gedeeltelijk met elkaar in spanning staan. De persoonlijke civilisatie moet daarom niet worden opgevat als één volledig consistent stelsel dat in alle omstandigheden op dezelfde wijze tot uitdrukking komt.
Van persoonlijke civilisatie naar kringcivilisatie
Geen persoonlijke civilisatie is geheel gelijk aan die van enig ander individu. Verschillen in opvoeding, ervaringen, sociale posities, persoonlijkheidskenmerken en informatiebronnen maken volledige overeenstemming praktisch onwaarschijnlijk. Toch kunnen individuen voldoende civilisatie-elementen delen om met elkaar samen te leven en samen te werken.
Wanneer individuen binnen een kring over voor die kring relevante onderwerpen voldoende overeenkomstige opvattingen, normen, verwachtingen, handelwijzen, doelen en idealen ontwikkelen, ontstaat een zekere gemeenschappelijkheid. De leden hoeven het niet over alles eens te zijn. Zij moeten echter voldoende gedeelde verwachtingen hebben om het gedrag van anderen tot op zekere hoogte te kunnen begrijpen en voorspellen en om gemeenschappelijk handelen mogelijk te maken.
De voldoende gedeelde en maatschappelijk werkzame elementen van de persoonlijke civilisaties van de leden van een kring worden hier de kringcivilisatie genoemd. Civilisatie-elementen kunnen voor de analyse afzonderlijk worden onderscheiden, maar functioneren in persoonlijke en kringcivilisaties vaak in samenhang. Een opvatting over de werkelijkheid kan bijvoorbeeld verbonden zijn met bepaalde normen, gedragsverwachtingen en doelen. Wanneer één element verandert, kan dat daardoor ook gevolgen hebben voor andere daarmee samenhangende elementen. Die samenhang hoeft door de betrokken individuen niet volledig bewust te worden onderscheiden en hoeft evenmin expliciet te zijn vastgelegd.
Een kringcivilisatie bestaat dus niet los van individuen, maar is ook niet eenvoudig de optelsom van hun persoonlijke overtuigingen. Het gaat om die elementen die voldoende worden gedeeld om binnen de betreffende kring gemeenschappelijke verwachtingen, oordeelsvorming, samenwerking en samenhang mogelijk te maken.
Civiliseren begint direct na de geboorte. In die fase bevindt het individu zich in een sterke afhankelijkheidsverhouding tot ouders of verzorgers en neemt het via stem, aanraking, gezichtsuitdrukkingen, reacties en andere zintuiglijk waarneembare gedragingen voortdurend civilisatie-elementen op. Later komen daar onderwijzers en steeds meer andere personen en bronnen bij. Veel verwachtingen worden aanvankelijk van buiten aangereikt en kunnen later worden geïnternaliseerd.
Naarmate individuen ouder worden, nemen het aantal bronnen van civiliseren en de verscheidenheid van aangeboden civilisatie-elementen toe. Naast ouders en onderwijzers worden vrienden, leeftijdgenoten, docenten, collega’s, publieke personen, media en instituties belangrijke bronnen. Naarmate een individu zelfstandiger wordt, kan het bovendien in toenemende mate zelf bepalen aan welke personen, kringen en informatiebronnen het zich blootstelt.
Bij deze overdracht wegen niet alle bronnen even zwaar. Mensen nemen een opvatting niet uitsluitend over omdat zij ermee worden geconfronteerd. Civilisatie-elementen worden eerder overgenomen van personen en instituties die als betrouwbaar, deskundig of navolgenswaardig worden beschouwd dan van bronnen die worden gewantrouwd.
Die beoordeling van de bron vindt echter zelf plaats vanuit de reeds gevormde persoonlijke civilisatie. Wat iemand geloofwaardig vindt, hangt mede af van reeds aanwezige opvattingen over deskundigheid, gezag, bewijs en betrouwbaarheid. Daardoor ontstaat een belangrijke terugkoppeling. Nieuwe ideeën worden beoordeeld met behulp van maatstaven die door eerdere civilisering tot stand zijn gekomen.
Bronnen die aansluiten bij reeds aanwezige overtuigingen en normen zullen daardoor vaak gemakkelijker vertrouwen verwerven dan bronnen die daarmee sterk in strijd zijn. Omgekeerd kunnen opvattingen afkomstig van een reeds gewantrouwde bron worden afgewezen voordat zij inhoudelijk uitvoerig zijn beoordeeld. Civiliseren is daarmee geen proces waarin alle beschikbare ideeën onder gelijke voorwaarden met elkaar concurreren.
Het aantal bronnen waaruit dezelfde of overeenkomstige informatie afkomstig lijkt te zijn, kan de ervaren geloofwaardigheid beïnvloeden. Wanneer een individu dezelfde informatie ontvangt van meerdere bronnen die hij als onderling onafhankelijk beschouwt, vergroot dit de kans dat hij die informatie als geloofwaardig beschouwt. Dat effect kan ook optreden wanneer deze bronnen feitelijk geheel of gedeeltelijk teruggaan op dezelfde oorspronkelijke informatiebron.
Dat mechanisme krijgt een collectieve dimensie wanneer leden van een kring veel civilisatie-elementen delen. Zij kunnen daardoor ook dezelfde personen en instituties als gezaghebbend, betrouwbaar of navolgenswaardig beschouwen. Wanneer dat gebeurt, kunnen dezelfde ideeën via dezelfde bronnen grote aantallen individuen bereiken en door hen worden overgenomen. De reeds bestaande kringcivilisatie beïnvloedt dan mede welke nieuwe ideeën binnen de kring gemakkelijk toegang verkrijgen. Naarmate een civilisatie-element meer leden van een kring bereikt, neemt bovendien de kans toe dat het zich binnen die kring verder verspreidt.
Niet ieder nieuw idee heeft onder zulke omstandigheden dezelfde kans om zich te verspreiden. De kans dat een idee wordt opgenomen in persoonlijke civilisaties en vervolgens wordt doorgegeven, hangt onder meer af van de mate waarin het aansluit bij reeds aanwezige civilisatie-elementen. Ook het vertrouwen in de bron, de eenvoud en begrijpelijkheid van het idee, de ervaren bruikbaarheid, de frequentie waarmee mensen ermee worden geconfronteerd, het bereik van de verspreiding en de sociale gevolgen van aanvaarding of afwijzing spelen een rol.
Ideeën die binnen bestaande maatschappelijke omstandigheden gemakkelijker worden begrepen, geaccepteerd en doorgegeven, kunnen zich daardoor sterker verspreiden dan concurrerende ideeën. Dat betekent niet noodzakelijk dat zij waar of moreel beter zijn. Het betekent slechts dat de maatschappelijke omstandigheden gunstiger zijn voor hun overdracht en reproductie.
Individuen worden niet alleen rechtstreeks door andere individuen geciviliseerd. Civilisatie-elementen kunnen ook worden overgedragen via vastgelegde uitingen, zoals boeken, beelden, films, geluidsopnamen en digitale media, zonder dat de oorspronkelijke makers bij de overdracht nog betrokken zijn. Technische informatiesystemen kunnen bovendien mede selecteren, ordenen, combineren, aanpassen of genereren welke informatie en uitingen van ideeën aan individuele gebruikers worden aangeboden. Daardoor kunnen ook zulke systemen een bron van civilisatie-elementen vormen.
Internalisering, ideeënstelsels en instituties
Een civilisatie-element dat iemand kent, is daarmee nog niet noodzakelijk onderdeel geworden van zijn persoonlijke civilisatie. Een individu kan weten welke norm in een bepaalde omgeving geldt en zich daarnaar gedragen zonder die norm zelf juist te vinden. Hij kan een regel naleven uit angst voor straf of vanwege afhankelijkheid van anderen.
Van internalisering is sprake wanneer extern aangereikte civilisatie-elementen zodanig onderdeel worden van de persoonlijke civilisatie dat zij mede richting geven aan het eigen denken, oordelen, willen en handelen. Wat aanvankelijk als een externe verwachting of beperking werd ervaren, kan daardoor vanzelfsprekend gaan lijken. De persoon handelt dan niet meer uitsluitend overeenkomstig een externe norm omdat anderen dat verlangen, maar ook omdat hij die norm zelf als juist, normaal of passend is gaan beschouwen.
Op het niveau van een kring kunnen elementen van een kringcivilisatie worden vastgelegd in instituties. Door institutionalisering worden zulke civilisatie-elementen maatschappelijk vastgelegd en minder afhankelijk van hun oorspronkelijke dragers.
Een institutie is in deze theorie een duurzaam stelsel van rollen, regels, normen en verwachtingen waarin elementen van een kringcivilisatie maatschappelijk zijn vastgelegd. Dat begrip moet ruim worden opgevat. Een institutie hoeft geen gebouw of formele organisatie met een bestuur en personeel te zijn. Eigendom kan een institutie zijn, evenals het huwelijk of de maatschappelijk gedeelde verwachting dat afspraken behoren te worden nagekomen. De maatschappelijke werking ervan berust erop dat mensen voldoende gedeelde verwachtingen hebben over rollen, rechten, verplichtingen en passend gedrag.
Door institutionalisering kunnen civilisatie-elementen blijven functioneren wanneer hun oorspronkelijke dragers verdwijnen. Rollen, regels, procedures en maatschappelijk erkende verwachtingen maken hun maatschappelijke werking minder afhankelijk van afzonderlijke personen. Zij kunnen daardoor als maatschappelijk gegeven gaan functioneren, ook wanneer afzonderlijke individuen de eraan ten grondslag liggende civilisatie-elementen niet telkens opnieuw beoordelen.
Gedeelde ideeën kunnen daarnaast voldoende samenhang krijgen om een ideeënstelsel te vormen. Een ideeënstelsel brengt opvattingen over de werkelijkheid, normen en waarden, mogelijke handelwijzen en na te streven doelen en idealen in onderling verband. Daardoor ontstaat meer dan een verzameling losse standpunten. De afzonderlijke ideeën kunnen elkaar gaan verklaren, ondersteunen en legitimeren.
Zo’n ideeënstelsel kan vervolgens in een narratief op een begrijpelijke en zo eenvoudig mogelijke wijze tot uitdrukking worden gebracht en gelegitimeerd. Het maakt begrijpelijk hoe de werkelijkheid volgens dat ideeënstelsel in elkaar zit, welk gedrag passend of juist is en waarom bepaalde normen, doelen en instituties gerechtvaardigd of noodzakelijk zouden zijn. Door een narratief te onderschrijven, te gebruiken of te herhalen kunnen individuen en kringen bovendien herkenbaar worden als aanhanger van het betreffende ideeënstelsel.
Narratieven hebben een belangrijke praktische functie. Zonder dergelijke samenhang zou in iedere maatschappelijke situatie opnieuw een volledige individuele afweging moeten plaatsvinden. Een maatschappelijk beschikbaar narratief biedt reeds bekende categorieën en standaarden waarmee mensen situaties kunnen interpreteren en beoordelen. Het helpt daardoor niet alleen ideeën over te dragen, maar ook het handelen te structureren.
Wanneer gedeelde ideeën worden geïnstitutionaliseerd, verandert tevens hun maatschappelijke betekenis. Vastlegging in posities, bevoegdheden, regels en verwachtingen kan een machtsbasis vormen voor actoren die binnen of overeenkomstig de institutie handelen. Wanneer zij daarvan gebruikmaken, kunnen zij het denken, oordelen, willen en handelen van andere individuen en kringen beïnvloeden, begrenzen of sturen.
Daarin ligt een centraal mechanisme van de theorie. Ideeën oefenen niet zelfstandig macht uit. Institutionalisering maakt het mogelijk dat gedeelde ideeën maatschappelijke macht krijgen doordat individuen overeenkomstig geïnstitutionaliseerde rollen, regels, normen en verwachtingen handelen. Institutionalisering is daarmee het proces waarin ideeën maatschappelijke macht kunnen worden.
Macht wordt hierbij opgevat als het vermogen van een actor om het denken, oordelen, willen of handelen van andere individuen of kringen te beïnvloeden, te begrenzen of te sturen. Dat vermogen berust op een of meer machtsbases, zoals bezit, positie, kennis, prestige, rechten, aantallen, toegang tot middelen of afhankelijkheidsverhoudingen. Het gerealiseerde effect dat het handelen of de aanwezigheid van die macht bij anderen heeft, wordt onderscheiden als invloed.
Instituties zijn echter geen zelfstandig handelende entiteiten. Hun werking blijft afhankelijk van mensen. Individuen moeten de rollen vervullen die binnen de institutie bestaan, regels toepassen, besluiten uitvoeren, verwachtingen naleven en eventueel naleving door anderen bevorderen of afdwingen. Een rechter moet rechtspreken, een ambtenaar moet besluiten uitvoeren, een docent moet onderwijs geven en deelnemers aan een overeenkomst moeten zich in voldoende mate overeenkomstig de institutionele verwachtingen gedragen.
Dat handelen hoeft niet uit overtuiging voort te komen. Mensen kunnen institutionele rollen vervullen vanwege gewoonte, afhankelijkheid, sociale druk of dwang. Voor de feitelijke werking van de institutie is doorslaggevend dat het noodzakelijke handelen plaatsvindt.
Wanneer voldoende individuen het handelen dat voor het functioneren van een institutie noodzakelijk is niet langer verrichten, kan haar maatschappelijke werking afnemen en kan ook de daarop berustende macht afnemen of verdwijnen. Institutionalisering maakt maatschappelijke werking dus minder afhankelijk van oorspronkelijke dragers, maar nooit onafhankelijk van menselijk handelen.
Wanneer individuen of kringen het doelgerichte handelen van een actor ondersteunen, kan die aanhang een machtsbasis van de actor vormen. Naarmate de rechtvaardiging van zijn doelen en handelen beter aansluit bij de persoonlijke civilisatie van anderen, neemt de kans toe dat zij dit handelen ondersteunen en tot zijn aanhang behoren of toetreden.
Elites, politiek en de reproductie van civilisaties
Binnen iedere kring zijn één of meer individuen die in bijzondere mate richting geven aan doelen, organisatie, normen en handelen van de kring. Deze individuen vormen de elite. Hun richtinggevende positie hoeft niet formeel te zijn en kan naar onderwerp, omstandigheden en in de tijd veranderen.
De positie van een elite kan berusten op formele positie, gezag, deskundigheid, middelen, status of informeel leiderschap. Naarmate haar positie en status binnen de kring sterker worden erkend, kunnen haar civilisatie-elementen in sterkere mate richtinggevend worden voor de kringcivilisatie en voor het civiliseren van andere leden.
De macht van elites is echter niet onbeperkt. Ook zij zijn afhankelijk van het handelen en de reacties van andere leden van de kring. Een leider zonder volgers kan weinig leiden. Een bestuurder kan slechts handelen wanneer anderen besluiten uitvoeren. Een deskundige kan alleen gezag uitoefenen zolang voldoende anderen diens deskundigheid erkennen. Elites opereren dus binnen afhankelijkheidsverhoudingen en bestaande kringcivilisaties die ook hun eigen handelingsmogelijkheden begrenzen.
Institutionalisering ontstaat vaak zonder dat iemand het uiteindelijke resultaat heeft ontworpen. Regels, gewoonten, maatschappelijke verwachtingen en instituties kunnen zich gedurende lange perioden ontwikkelen uit opeenvolgende interacties tussen vele individuen. De uiteindelijke institutie hoeft dan niemands oorspronkelijke bedoeling te zijn geweest.
Institutionalisering kan echter ook doelgericht worden nagestreefd. Individuen en kringen kunnen proberen bepaalde civilisatie-elementen maatschappelijk vast te leggen en daarmee de maatschappelijke ordening te beïnvloeden. Politieke strijd kan daarop gericht zijn, maar kan ook betrekking hebben op het veranderen, handhaven of beëindigen van kringcivilisaties en instituties zonder dat institutionalisering of collectief bindende besluitvorming het directe doel is.
Van politiek is in deze theorie sprake wanneer concurrerende actoren tegenover elkaar staan in de strijd om doelen te bereiken. Politiek wordt daarmee niet beperkt tot verkiezingen, partijen, parlementen, regeringen of de staat. Politieke strijd kan binnen iedere kring of tussen kringen plaatsvinden en kan betrekking hebben op opvattingen, normen, doelen, belangen, posities, middelen, instituties of andere gewenste uitkomsten.
Wanneer een kringcivilisatie eenmaal in instituties is vastgelegd, kunnen zich bovendien zichzelf versterkende processen ontwikkelen. Een eerste daarvan is de legitimerende civilisatielus.
Deze ontstaat wanneer instituties die uit een kringcivilisatie zijn voortgekomen binnen diezelfde civilisatie de status verkrijgen van gezaghebbende bronnen voor het beoordelen van wat waar, juist of normatief gewenst is. De kringcivilisatie brengt dan instituties voort, terwijl die instituties vervolgens vanuit hun verworven gezag de uitgangspunten van de civilisatie bevestigen.
Het causale verloop is circulair, maar niet logisch ondeugdelijk. Een institutie kan oorspronkelijk gezag verkrijgen omdat voldoende mensen haar erkennen. Wanneer zij dat gezag eenmaal bezit, kan haar oordeel vervolgens meewegen in de vorming van nieuwe generaties en nieuwe leden van de kring. De institutie helpt daardoor de civilisatie te legitimeren die mede de voorwaarden voor haar eigen gezag heeft voortgebracht.
Daarnaast bestaat een reproductieve civilisatielus. Een bestaande kringcivilisatie werkt via haar instituties, narratieven, gedragsverwachtingen en sociale reacties door in het civiliseren van individuen. Wanneer zij die elementen internaliseren, gaan deze deel uitmaken van hun persoonlijke civilisatie. Vervolgens handelen zij mede overeenkomstig die geïnternaliseerde elementen. Door dat handelen reproduceren zij de normen, verwachtingen, gedragingen en instituties waaruit zij zelf eerder zijn geciviliseerd.
Een kringcivilisatie draagt zo bij aan de vorming van individuen die op hun beurt bijdragen aan het voortbestaan van die kringcivilisatie. Hierdoor kan zij langer bestaan dan de individuen die haar oorspronkelijk hebben gevormd.
Nieuwe leden treden immers toe tot reeds bestaande sociale verbanden. Kinderen worden geboren in gezinnen en samenlevingen waarin al taal, normen, instituties en verwachtingen bestaan. Nieuwe medewerkers betreden organisaties waarin reeds procedures en omgangsvormen gelden. Nieuwe generaties burgers groeien op binnen staten waarvan de fundamentele instituties al vóór hun geboorte bestonden.
Civilisatie wordt daardoor in de tijd overgedragen. Die overdracht is echter nooit noodzakelijk volledig of onveranderd. Nieuwe generaties kunnen bestaande elementen anders interpreteren of deze in een andere samenhang met andere civilisatie-elementen plaatsen. Contact met andere kringen kan alternatieve opvattingen introduceren. Veranderde maatschappelijke omstandigheden kunnen oude normen minder bruikbaar maken. Bestaande elementen kunnen daardoor worden aangepast, gewijzigd of vervangen. Reproductie sluit verandering dus niet uit. Zij verklaart vooral waarom bestaande civilisatie-elementen een grote mate van continuïteit kunnen vertonen.
De handhaving van een kringcivilisatie berust bovendien niet alleen op overdracht en internalisering. Afwijking kan sociale gevolgen hebben. Individuen die zich niet naar belangrijke verwachtingen van een kring schikken, kunnen — wanneer dat voor hen mogelijk is — de kring verlaten. Omgekeerd kan een kring leden uitsluiten of andere informele en formele sancties toepassen.
Sociale sanctionering omvat de reacties waarmee een kring conform gedrag bevordert en afwijkend gedrag ontmoedigt of bestraft. Dat kan uiteenlopen van afkeuring, statusverlies en uitsluiting tot formele disciplinaire maatregelen en, binnen daarvoor bevoegde instituties, juridische sancties.
Een bijzondere vorm waarmee afwijzing of uitsluiting kan worden gelegitimeerd, is pathologisering. Daarbij wordt een afwijkende opvatting of gedraging niet primair op haar inhoud beoordeeld, maar behandeld als aanwijzing voor een cognitieve, morele, psychologische of sociale tekortkoming van degene die haar aanhangt. De discussie verschuift dan van de vraag of een argument juist is naar de veronderstelde gesteldheid van degene die het argument naar voren brengt. De legitimerende werking daarvan neemt toe naarmate de pathologiserende beoordeling beter aansluit bij de kringcivilisatie en de bron ervan als geloofwaardig en gerechtvaardigd wordt aanvaard.
Sociale sanctionering kan ertoe leiden dat individuen zich overeenkomstig een kringcivilisatie gedragen zonder dat zij de betreffende civilisatie-elementen hebben geïnternaliseerd. Uiterlijke conformiteit en internalisering moeten daarom analytisch van elkaar worden onderscheiden.
Deze mechanismen helpen verklaren waarom kringcivilisaties ook zonder voortdurend expliciet gebruik van dwang kunnen worden gehandhaafd. Wie opgroeit binnen een kringcivilisatie, relevante elementen daarvan internaliseert, gezaghebbende instituties vertrouwt en weet dat sterke afwijking sociale gevolgen kan hebben, heeft meerdere redenen om zich in zijn denken en handelen binnen de grenzen van die civilisatie te bewegen.
Overtuiging, legitimiteit en individueel gedrag
Een kringcivilisatie bepaalt het handelen van een individu niet rechtstreeks. Haar werking verloopt via de persoonlijke civilisatie van het individu en via de verwachtingen, sociale druk, sanctionering of dwang die deel uitmaken van de concrete situatie. Persoonlijkheidskenmerken beïnvloeden mede hoe het individu daarop reageert. Wanneer elementen van een kringcivilisatie zijn geïnternaliseerd, kunnen de daarmee samenhangende opvattingen, normen, handelwijzen, doelen en idealen als juist, passend, gerechtvaardigd of nastrevenswaardig worden ervaren.
Dit is van belang voor het begrijpen van politiek handelen. Een actor die politieke maatregelen nastreeft, ervaart zijn eigen handelen in het algemeen niet als willekeurige uitoefening van macht. Hij beoordeelt de werkelijkheid vanuit een persoonlijke civilisatie waarin bepaalde problemen als werkelijk bestaan, bepaalde oorzaken aannemelijk lijken, bepaalde normen gerechtvaardigd zijn en bepaalde doelstellingen nastrevenswaardig worden gevonden. Vanuit dat kader kan het eigen optreden redelijk en moreel gerechtvaardigd lijken.
Voor andere individuen met een andere persoonlijke of kringcivilisatie kan hetzelfde handelen daarentegen onredelijk, immoreel of gevaarlijk lijken. De beoordeling vindt immers plaats vanuit andere opvattingen over werkelijkheid, legitimiteit, waarden en gewenste maatschappelijke uitkomsten.
Dat maakt het analytisch noodzakelijk onderscheid te maken tussen gedrag dat binnen een kringcivilisatie wordt gerechtvaardigd en gedrag dat vooral voortkomt uit individuele persoonlijkheidskenmerken. Mensen kunnen gemeen, gewelddadig, frauduleus of anderszins schadelijk handelen, ook wanneer dergelijk gedrag binnen hun kring uitdrukkelijk wordt afgekeurd.
Niet ieder schadelijk optreden van een individu mag daarom zonder meer worden toegeschreven aan de civilisatie van de kring waarvan hij deel uitmaakt. Omgekeerd moet gedrag dat door de kring juist wordt voorgeschreven of gerechtvaardigd niet uitsluitend als persoonlijke eigenaardigheid van de uitvoerder worden verklaard.
Dit onderscheid voorkomt dat een theorie van civilisatie verandert in een totale verklaring van menselijk gedrag. Persoonlijkheidskenmerken, omstandigheden en individuele keuzes blijven relevant. Civilisatie structureert gedrag en maakt bepaalde handelwijzen waarschijnlijker, vanzelfsprekender of legitimeerbaar, maar determineert niet iedere individuele handeling.
Tegenstrijdigheden binnen een persoonlijke civilisatie hoeven bovendien niet steeds als blijvende tegenstrijdigheden te worden ervaren. Een individu kan spanning ervaren tussen verschillende civilisatie-elementen, of tussen een civilisatie-element en zijn eigen handelen.
Een mogelijke reactie daarop is rationaliseren. Daarbij wordt de betekenis, reikwijdte of toepassing van een of meer civilisatie-elementen zodanig uitgelegd of geherinterpreteerd dat de ervaren tegenstrijdigheid wordt verminderd of opgeheven. Daardoor kunnen opvattingen of gedragingen die voor een buitenstaander tegenstrijdig lijken, door het individu zelf toch als verenigbaar met zijn persoonlijke civilisatie worden ervaren. Rationaliseren betekent hier niet bewust misleiden of rationeel redeneren, maar het voor zichzelf verenigbaar maken van een ervaren spanning.
Wanneer verlangd gedrag strijdig is met sterk werkzame elementen van de persoonlijke civilisatie, ontstaat druk om die spanning te verminderen. Dat kan gebeuren door aanpassing of rationalisering van de persoonlijke civilisatie, maar ook doordat de werking van de strijdige kringcivilisatie op het individu afneemt, bijvoorbeeld door ontwijking, niet-conformeren, protest, verzet of uittreden.
Stabiliteit en verandering
Persoonlijke civilisaties veranderen gedurende het leven van individuen voortdurend. Een kringcivilisatie verandert daarentegen niet voortdurend mee met iedere verandering in haar leden of maatschappelijke omgeving. Omdat zij bestaat uit voldoende gedeelde en maatschappelijk werkzame civilisatie-elementen, vertoont zij ten opzichte van veranderingsdruk een zekere traagheid. Daardoor kunnen persoonlijke civilisaties en kringcivilisaties in verschillend tempo veranderen.
Iedere nieuwe waarneming, ervaring en interactie wordt verwerkt vanuit de reeds gevormde persoonlijke civilisatie en kan bestaande civilisatie-elementen bevestigen en versterken, verzwakken, anders doen interpreteren, wijzigen of aanvullen. De omvang en betekenis van zulke veranderingen kunnen zeer gering zijn, maar veranderingen kunnen ook schoksgewijs optreden en ingrijpend zijn.
Er zijn verschillende bronnen van dergelijke verandering. Een eerste ligt in individuele variatie. Mensen verschillen in aanleg, persoonlijkheid en ervaring. Daardoor ontwikkelen zij soms opvattingen of gedragingen die afwijken van wat binnen hun kring gebruikelijk is. Wanneer anderen zulke nieuwe elementen overnemen, kunnen zij zich verspreiden en uiteindelijk onderdeel worden van de kringcivilisatie.
Veranderingen in een persoonlijke civilisatie die uitsluitend voortkomen uit individuele levensomstandigheden werken over het algemeen niet door in een kringcivilisatie. Zij kunnen wel spanning veroorzaken met de kringcivilisaties waarvan het individu deel uitmaakt. Pas wanneer overeenkomstige veranderingen zich ook bij anderen voordoen of zich sociaal verspreiden, kunnen zij maatschappelijk werkzaam worden.
Een tweede bron is contact en uitwisseling tussen individuen en kringen. Geen kring hoeft volledig geïsoleerd te zijn. Handel, migratie, onderwijs, reizen, media, samenwerking en andere vormen van contact maken mensen bekend met civilisatie-elementen van andere kringen. Daardoor kunnen nieuwe opvattingen, normen, waarden en gedragingen beschikbaar komen die binnen de oorspronkelijke kring niet of nauwelijks voorkwamen.
Het enkele bestaan van alternatieve civilisatie-elementen brengt nog geen verandering teweeg. Zij moeten voldoende aantrekkelijk, bruikbaar of geloofwaardig worden gevonden om in persoonlijke civilisaties te worden opgenomen. Maar contact vergroot in ieder geval het beschikbare repertoire waaruit individuen en kringen kunnen putten.
Een derde belangrijke bron is technologische verandering. Nieuwe technologieën veranderen niet alleen technische mogelijkheden, maar kunnen ook sociale verhoudingen wijzigen. Zij kunnen bestaande vormen van communicatie, productie, samenwerking, controle, mobiliteit of informatievoorziening veranderen en daarmee de afhankelijkheidsverhoudingen tussen individuen en kringen beïnvloeden.
Wanneer sociale verhoudingen veranderen, kunnen ook bestaande machtsverhoudingen, rollen en gedragsverwachtingen veranderen. Civilisatie-elementen die goed pasten bij eerdere omstandigheden kunnen daardoor minder functioneel, minder geloofwaardig of moeilijker handhaafbaar worden. Nieuwe normen en gedragsrepertoires kunnen aantrekkelijk of noodzakelijk worden.
Technologische verandering werkt in deze theorie dus niet rechtstreeks en automatisch door in ideeën. De relevante schakel ligt in de verandering van maatschappelijke verhoudingen en het gedrag dat binnen die nieuwe verhoudingen mogelijk of noodzakelijk wordt.
Naast individuele variatie, uitwisseling en technologie kunnen ook andere omstandigheden verandering veroorzaken. Demografische verschuivingen, oorlogen, epidemieën, natuurrampen, ecologische veranderingen en grondstoffenschaarste kunnen bestaande verhoudingen rechtstreeks beïnvloeden of indirect omstandigheden creëren waarin oude civilisatie-elementen onder druk komen te staan.
Onderliggende veranderingen in sociale verhoudingen kunnen een bron vormen van veranderingen in persoonlijke en kringcivilisaties. Wijzigingen in wederzijdse afhankelijkheden kunnen machtsverhoudingen, rollen, handelingsmogelijkheden en gedragsverwachtingen veranderen. Civilisatie-elementen die binnen eerdere verhoudingen passend, vanzelfsprekend of werkzaam waren, kunnen daardoor minder passend of werkzaam worden, terwijl andere elementen juist aan betekenis kunnen winnen.
Doordat persoonlijke civilisaties, kringcivilisaties, sociale verhoudingen en instituties niet noodzakelijk in hetzelfde tempo veranderen, kunnen nieuwe civilisatie-elementen en veranderde sociale verhoudingen naast oudere, nog dominante of geïnstitutionaliseerde elementen blijven bestaan. Daardoor kunnen tegenstrijdigheden en spanningen ontstaan tussen wat individuen denken, verwachten en doen en wat binnen de kring nog als geldend, passend of gerechtvaardigd geldt.
Ook instituties kunnen bij zulke veranderingen achterblijven. Rollen, regels, bevoegdheden en andere geïnstitutionaliseerde verhoudingen kunnen blijven voortbestaan terwijl de persoonlijke en kringcivilisaties waarop zij berusten veranderen. Daardoor kunnen spanningen en veranderingsdruk ontstaan.
Veranderingen in persoonlijke civilisaties voltrekken zich niet onafhankelijk van elkaar. Individuen leven en handelen in kringen, worden deels met dezelfde gebeurtenissen en informatie geconfronteerd, kunnen dezelfde bronnen vertrouwen en beïnvloeden elkaar door onderlinge interactie. Daardoor kunnen veranderingen in persoonlijke civilisaties elkaar versterken en zich binnen grotere aantallen individuen in dezelfde richting en gedurende dezelfde periode voltrekken. Er kan zo een zekere synchronisatie van civilisatorische verandering ontstaan. Wanneer maatschappelijk gedeelde omstandigheden bij velen gelijkgerichte veranderingen veroorzaken, kunnen deze vertraagd in kringcivilisaties doorwerken, omdat een kringcivilisatie pas verandert wanneer de nieuwe elementen voldoende worden gedeeld en maatschappelijk werkzaam worden.
Wederzijdse beïnvloeding en recursiviteit
Persoonlijke civilisaties, kringcivilisaties, sociale verhoudingen en instituties beïnvloeden elkaar wederzijds. Zij veranderen echter niet noodzakelijk gelijktijdig, in hetzelfde tempo of in dezelfde richting. Een kringcivilisatie kan al veranderen terwijl instituties nog elementen van een oudere civilisatie vastleggen. Omgekeerd kunnen formele regels worden gewijzigd terwijl grote aantallen individuen oudere normen en verwachtingen blijven hanteren. Ook veranderingen in instituties of sociale verhoudingen kunnen weer nieuwe ervaringen en gedragsmogelijkheden voortbrengen en daardoor persoonlijke en kringcivilisaties beïnvloeden.
Veranderingen kunnen binnen een kring ontstaan, maar ook voortkomen uit andere kringen of uit maatschappelijke omstandigheden waarmee de kring verbonden is. Wanneer zulke veranderingen afhankelijkheden, handelingsmogelijkheden of machtsposities wijzigen, kunnen zij verder doorwerken in civilisaties en instituties. De veranderingen die daaruit ontstaan kunnen vervolgens gevolgen hebben voor weer andere kringen en instituties. Maatschappelijke verandering blijft daardoor zelden beperkt tot de plaats waar zij aanvankelijk zichtbaar werd.
Op veranderingen en daaruit voortkomende spanningen kan binnen en tussen kringen verschillend worden gereageerd. Individuen kunnen zich aanpassen, bestaande opvattingen of gedragingen handhaven, nieuwe civilisatie-elementen overnemen of afwijzen, uit kringen treden, andere sociale relaties aangaan, instituties anders gebruiken of interpreteren, of samen met anderen proberen bestaande verhoudingen en instituties doelgericht te wijzigen.
Maatschappelijke veranderingsprocessen hebben daardoor een recursief karakter. Veranderingen in persoonlijke civilisaties, kringcivilisaties, sociale verhoudingen en instituties kunnen veranderingen in andere van deze elementen veroorzaken. De daardoor ontstane veranderingen kunnen vervolgens opnieuw doorwerken in persoonlijke en kringcivilisaties, sociale verhoudingen en instituties. De effecten van maatschappelijke verandering worden zo zelf oorzaken van verdere maatschappelijke verandering.
Persoonlijke civilisaties, kringcivilisaties, sociale verhoudingen en instituties kunnen gedurende bepaalde perioden relatief stabiel zijn. Wanneer veranderingen de onderlinge samenhang verstoren, kunnen spanningen ontstaan en kunnen betrokken individuen, afzonderlijk of samen met anderen, proberen die spanningen te verminderen door herstel, aanpassing of het zoeken naar een nieuw werkbaar evenwicht.
Omgekeerd kan een elite doelgericht proberen andere civilisatie-elementen binnen een kring richtinggevend te maken. Wanneer die verandering botst met sterk werkzame elementen van de persoonlijke civilisaties van leden, kan spanning ontstaan. Die spanning kan afnemen doordat leden de nieuwe elementen internaliseren of doordat afwijkende persoonlijke civilisaties binnen de kring minder werkzaam worden.
Spanningen tussen veranderde persoonlijke civilisaties en een achterblijvende kringcivilisatie kunnen afnemen doordat de kringcivilisatie verandert of doordat de afwijkende persoonlijke civilisaties binnen de kring minder werkzaam worden, bijvoorbeeld door conformering, terugtrekking, uittreden of uitsluiting.
Doelgericht handelen
Het nastreven van een doel door een actor veronderstelt dat de actor de beoogde toestand boven alternatieve toestanden waardeert. Een doel hoeft daarbij niet operationeel of meetbaar te zijn geformuleerd; voldoende is dat de actor een beoogde toestand verkiest en zijn handelen daarop richt.
Maatschappelijke veranderingen kunnen ontstaan uit handelingen van afzonderlijke individuen of uit het gezamenlijke en onderling afhankelijke handelen van individuen binnen en tussen kringen, zonder dat iemand de uiteindelijke maatschappelijke uitkomst heeft bedoeld of ontworpen.
Doelgericht handelen kan onderdeel zijn van een maatschappelijk veranderingsproces zonder dat het veranderingsproces als geheel doelgericht verloopt. Een beoogde verandering kan worden gerealiseerd, maar daardoor kunnen tegelijk omstandigheden, handelingsmogelijkheden en sociale verhoudingen veranderen. Andere individuen kunnen daarop reageren vanuit hun persoonlijke civilisatie en vanuit de kringcivilisaties waarbinnen zij handelen. Die reacties kunnen verdere veranderingen veroorzaken die door de oorspronkelijke initiatiefnemers niet zijn bedoeld of voorzien.
Doelgerichte verandering van een bestaande kringcivilisatie vindt plaats binnen een sociale omgeving waarin die kringcivilisatie reeds wordt gereproduceerd, gelegitimeerd, geïnstitutionaliseerd en door sociale sanctionering wordt ondersteund. Alternatieve civilisatie-elementen worden daardoor niet in een neutrale omgeving geïntroduceerd, maar concurreren met reeds maatschappelijk werkzame en deels geïnternaliseerde elementen.
Verandering van een kringcivilisatie veronderstelt dat nagestreefde civilisatie-elementen door voldoende individuen worden geïnternaliseerd en binnen de kring maatschappelijk werkzaam worden. Een doelgerichte verandering is geslaagd wanneer die elementen voldoende zijn geïnternaliseerd en werkzaam zijn om de beoogde toestand te realiseren en in stand te houden; institutionalisering is daarvoor alleen vereist voor zover de beoogde verandering dat noodzakelijk maakt.
De kans dat nagestreefde civilisatie-elementen worden geïnternaliseerd neemt toe naarmate zij voor individuen begrijpelijker, aannemelijker en wenselijker zijn. Nieuwe elementen concurreren daarbij steeds met reeds werkzame civilisatie-elementen en kunnen worden aanvaard, gewijzigd, gecombineerd of afgewezen.
Een actor verandert een kringcivilisatie niet rechtstreeks. Doelgericht handelen kan maatschappelijke verandering veroorzaken doordat de actor de omstandigheden beïnvloedt waaronder civilisatie-elementen aan individuen worden aangeboden en vervolgens binnen kringen worden verspreid, geïnternaliseerd en, voor zover relevant, geïnstitutionaliseerd.
Een actor kan zijn doelen legitimeren vanuit civilisatie-elementen die hij met zijn aanhang deelt. Wanneer de rechtvaardiging van een doel bij die gedeelde elementen aansluit, kan het doel voor de aanhang herkenbaar, passend of gerechtvaardigd worden en bijdragen aan ondersteuning van het doelgerichte handelen.
Reikwijdte van politieke verandering
Politieke verandering kan verschillen in de mate waarin zij ingrijpt in een bestaande kringcivilisatie en in de instituties waarin elementen daarvan zijn vastgelegd. Niet iedere politieke strijd is daarom een strijd om een nieuwe civilisatie. Sommige politieke processen betreffen keuzes tussen alternatieven die binnen de bestaande kringcivilisatie en institutionele ordening reeds als mogelijk en legitiem worden beschouwd. Andere richten zich op wijziging van een of meer civilisatie-elementen binnen die ordening. Weer andere richten zich op een samenhangend geheel van civilisatie-elementen en kunnen daardoor ook de dominante kringcivilisatie en de legitimiteit of inrichting van belangrijke instituties ter discussie stellen.
Bij de eerste vorm wordt gestreden over alternatieve besluiten binnen een reeds aanvaard kader. De deelnemers kunnen diep van mening verschillen over welk besluit wenselijk is, zonder dat zij de fundamentele opvattingen, normen, doelen of institutionele ordening waarbinnen dat besluit wordt genomen ter discussie stellen. Een dergelijke verandering kan tot andere regels of ander feitelijk handelen leiden zonder dat daarvoor relevante elementen van de dominante kringcivilisatie hoeven te veranderen.
Een tweede vorm van politieke verandering betreft een of meer civilisatie-elementen die tot de dominante kringcivilisatie behoren of in instituties zijn vastgelegd. De strijd richt zich dan niet uitsluitend op een keuze binnen bestaande maatstaven, maar mede op wijziging van onderdelen van die maatstaven zelf. Opvattingen over wat juist, normaal, geloofwaardig of wenselijk is kunnen op een bepaald terrein veranderen, terwijl andere centrale elementen van de bestaande kringcivilisatie en de legitimiteit van haar belangrijkste instituties grotendeels behouden blijven.
Een derde vorm ontstaat wanneer de nagestreefde verandering meerdere onderling samenhangende en voor een kring belangrijke civilisatie-elementen betreft. Dan kan de dominante kringcivilisatie als geheel ingrijpend veranderen. Ook bestaande ideeën over legitimiteit, maatschappelijke verhoudingen, doelen en instituties kunnen dan ter discussie komen te staan. Het streven richt zich in zo’n geval niet alleen op afzonderlijke alternatieve opvattingen, maar op een samenhangend alternatief ideeënstelsel en narratief.
Deze drie vormen zijn analytische categorieën. Werkelijke politieke veranderingsprocessen kunnen kenmerken van meerdere categorieën tegelijk vertonen en vormen eerder een continuüm dan scherp van elkaar gescheiden typen. Ook kan de reikwijdte van een politieke strijd tijdens het proces veranderen. Een conflict dat begint met een afzonderlijk besluit kan uitgroeien tot een strijd over civilisatie-elementen of een breder ideeënstelsel en narratief; omgekeerd kan een aanvankelijk omvattend veranderingsstreven worden beperkt, opgesplitst of binnen bestaande instituties worden opgenomen.
Bewegingen
Een beweging kan niet ontstaan zonder een gedeeld of zich ontwikkelend ideeënstelsel. Er moet voldoende samenhang ontstaan tussen gedeelde civilisatie-elementen om individuen en kringen duurzaam met elkaar te verbinden en richting te geven aan interpretatie, doelen en handelen. Het ideeënstelsel hoeft bij het ontstaan nog niet volledig uitgewerkt of formeel vastgelegd te zijn.
Een beweging kan organisch ontstaan en zich ontwikkelen zonder dat één actor haar als geheel heeft ontworpen, maar zij kan ook doelgericht worden gevormd en georganiseerd. In beide gevallen kan de verdere ontwikkeling mede worden bepaald door processen die niet volledig door één actor worden beheerst.
Een beweging hoeft niet zelf één kring of formele organisatie te vormen. Zij kan bestaan uit individuen en uit meerdere kringen, organisaties, media en instituties die in verschillende mate met elkaar verbonden zijn door voldoende gedeelde civilisatie-elementen en eventueel een zich ontwikkelend ideeënstelsel en narratief. De mate van onderlinge organisatie, coördinatie en leiderschap kan daarbij verschillen en in de loop van de tijd veranderen. Een beweging hoeft geen centrale leider te hebben; leiderschapsfuncties kunnen over meerdere individuen en organisaties zijn verdeeld en in de tijd wisselen. Een centrale organisatie of centrale leiding is dus geen noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van een beweging.
Wanneer een organisch ontstane beweging politieke doelen nastreeft, voldoende maatschappelijke samenhang heeft ontwikkeld en haar elite binnen de beweging als richtinggevend wordt erkend, wordt doelgericht politiek handelen noodzakelijk om die doelen te kunnen bereiken.
Omdat de betrokken individuen niet volledig dezelfde persoonlijke civilisaties hebben en de betrokken kringen niet volledig dezelfde kringcivilisaties delen, en omdat het ideeënstelsel en narratief van de beweging voortdurend kunnen worden geïnterpreteerd en ontwikkeld, kunnen binnen een beweging verschillende richtingen ontstaan over inhoud, prioriteiten, doelen en handelwijzen. Deze verschillen kunnen leiden tot interne richtingenstrijd, organisatorische scheiding of het ontstaan van nieuwe bewegingen.
Binnen een beweging kunnen middelen en praktijken ontstaan of worden benut waarmee civilisatie-elementen worden vastgelegd, ontwikkeld, geïnterpreteerd, verspreid en overgedragen. Daartoe kunnen onder meer behoren: raadpleegbare bronnen waarin centrale ideeën zijn vastgelegd; personen die deze ideeën, al dan niet binnen kringen en organisaties, bespreken, interpreteren en verder ontwikkelen; communicatiemiddelen en media; terugkerende bijeenkomsten; herkenbare begrippen en symbolen; rituelen en andere gedeelde praktijken; vormen van deelname of lidmaatschap; onderwijs en opleiding; en organisaties en instituties waarin elementen van het ideeënstelsel in rollen, regels, normen en verwachtingen worden vastgelegd.
Deze middelen zijn niet belangrijk omdat iedere beweging over dezelfde gereedschapskist zou moeten beschikken. Hun theoretische betekenis ligt in de functies die zij kunnen vervullen. Gezamenlijk kunnen zij deelnemers herhaaldelijk met dezelfde of samenhangende civilisatie-elementen in aanraking brengen, onderlinge herkenning en verbondenheid versterken, bronnen van gezag of betrouwbaarheid beschikbaar maken en ideeën herkenbaar en overdraagbaar maken. Daardoor kunnen civilisatie-elementen worden geïnternaliseerd, versterkt en onder grotere aantallen individuen worden verspreid. Niet ieder individu dat door een beweging wordt geciviliseerd hoeft daarbij lid te worden van een organisatie of kring die tot de beweging behoort.
Binnen een beweging kunnen organisaties en instituties ontstaan met eigen rollen, bevoegdheden en procedures. Een organisatie kan daarbij een specifieke functie vervullen — bijvoorbeeld politieke vertegenwoordiging, onderwijs, media, onderzoek, religie of belangenbehartiging — zonder dat de beweging tot die organisatie wordt gereduceerd. Naarmate binnen de beweging een elite als richtinggevend wordt erkend, neemt bovendien de kans toe dat activiteiten en civilisatie-elementen doelgericht worden geïnstitutionaliseerd en daarmee bestendigd.
Maatschappelijke herkenbaarheid vormt eveneens een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van een beweging. Naarmate een beweging als afzonderlijk verschijnsel herkenbaar wordt, ontstaat doorgaans een naam, aanduiding of ander gedeeld begrip waarmee zij en haar aanhangers kunnen worden aangeduid. Zo’n naam kan door deelnemers zelf worden gekozen, aan een grondlegger, centrale ideeën of symbolen worden ontleend, maar ook aanvankelijk door buitenstaanders of tegenstanders worden gebruikt. De aanduiding maakt het mogelijk dat individuen en kringen zichzelf en anderen als onderdeel van dezelfde beweging herkennen, zich ermee identificeren of zich ertegen afzetten. Naamgeving draagt daardoor bij aan afgrenzing, verspreiding en maatschappelijke zichtbaarheid en kan zelf een rol gaan spelen in de verdere vorming van de beweging.
Binnen een beweging kunnen civilisatie-elementen reeds worden geïnstitutionaliseerd voordat zij daarbuiten brede maatschappelijke aanvaarding hebben verkregen. Die institutionalisering kan bijdragen aan het civiliseren van nieuwe deelnemers en aan de verdere ontwikkeling van het ideeënstelsel en narratief van de beweging.
Wanneer civilisatie-elementen die binnen een beweging worden ontwikkeld en verspreid ook buiten haar eigen verbanden door individuen worden geïnternaliseerd en binnen andere kringen voldoende worden gedeeld en maatschappelijk werkzaam worden, kan een breder civilisatieproces ontstaan dat niet meer uitsluitend door de oorspronkelijke beweging wordt gedragen. Daardoor kan de maatschappelijke verspreiding en werking van haar civilisatie-elementen versnellen en zich over meerdere kringen en instituties uitbreiden.
Doelgerichte maatschappelijke verandering
De hiervoor beschreven mechanismen maken duidelijk waarom het doelgericht veranderen van een bestaande kringcivilisatie moeilijk is. Een gevestigde civilisatie bestaat niet slechts uit een verzameling meningen die door betere argumenten eenvoudig kan worden vervangen.
Zij is aanwezig in persoonlijke civilisaties, gedragsgewoonten, vertrouwde bronnen, instituties, ideeënstelsels, narratieven en sociale verwachtingen. Zij wordt door bestaande instituties gelegitimeerd, door het gedrag van leden gereproduceerd en door sociale sanctionering mede gehandhaafd.
Alternatieve ideeën worden dus niet in een neutrale omgeving geïntroduceerd. Zelfs een logisch consistent alternatief kan maatschappelijk vrijwel zonder gevolg blijven wanneer het slechts door enkele individuen wordt gekend en niet wordt overgedragen, geïnternaliseerd, gedeeld en waar nodig geïnstitutionaliseerd.
Een doelgerichte verandering van een kringcivilisatie kan als geslaagd worden beschouwd wanneer de nagestreefde civilisatie-elementen voldoende zijn geïnternaliseerd en maatschappelijk werkzaam zijn om de beoogde toestand te realiseren en in stand te houden. Institutionalisering is daarbij alleen noodzakelijk voor zover de nagestreefde maatschappelijke ordening daarop berust.
Het criterium verlegt de aandacht van een eenmalig besluit of een tijdelijke machtswisseling naar de vraag of nieuwe civilisatie-elementen daadwerkelijk onderdeel zijn geworden van persoonlijke civilisaties en van de maatschappelijke ordening waarin mensen handelen.
Wie een bestaande of concurrerende kringcivilisatie doelgericht wil veranderen, zal moeten begrijpen welke civilisatie-elementen de betrokken individuen hebben geïnternaliseerd en waarom zij de daarop gebaseerde opvattingen, normen, waarden, handelwijzen, doelen en idealen als juist, passend of wenselijk beschouwen.
Dat begrijpen is iets anders dan ermee instemmen. Het betekent reconstrueren welke opvattingen over de werkelijkheid zij voor waar houden, welke normen zij hanteren, welke doelen zij nastrevenswaardig vinden, welke bronnen zij vertrouwen en waarom bestaande instituties of voorstellen vanuit hun persoonlijke civilisatie gerechtvaardigd lijken.
Het uitsluitend kwalificeren van hun opvattingen als fout, slecht of gevaarlijk vormt op zichzelf geen effectieve veranderingsstrategie. Vanuit hun eigen persoonlijke civilisatie kunnen zij immers precies dezelfde kwalificaties op alternatieve ideeën toepassen. Wanneer partijen slechts elkaars conclusies veroordelen zonder de onderliggende civilisatie-elementen te begrijpen, verandert daarmee het mechanisme van civiliseren niet.
Wie anderen voor alternatieve ideeën wil winnen, moet daarom aannemelijk kunnen maken waarom die ideeën voor hen een betere basis zouden vormen voor hun opvattingen, normen, waarden en handelen. De relevante vraag is niet uitsluitend waarom de voorstander van verandering zelf overtuigd is. De vraag is onder welke omstandigheden anderen bereid kunnen zijn elementen van de alternatieve civilisatie in hun eigen persoonlijke civilisatie op te nemen.
Vervolgens moeten alternatieve civilisatie-elementen zo eenvoudig en begrijpelijk worden ontwikkeld en uitgedragen dat voor voldoende individuen aannemelijk wordt waarom zij een overtuigender of wenselijker alternatief vormen voor bestaande of concurrerende civilisatie-elementen.
Alternatieve ideeën kunnen daarom voldoende samenhang verkrijgen om gezamenlijk een ideeënstelsel te vormen. Dat ideeënstelsel kan vervolgens in een narratief zo eenvoudig en begrijpelijk mogelijk overdraagbaar worden gemaakt, zonder dat daarbij de noodzakelijke inhoudelijke samenhang verloren gaat. Zo’n narratief maakt niet alleen duidelijk wat anders zou moeten, maar ook hoe de werkelijkheid wordt geïnterpreteerd, waarom bestaande elementen problematisch worden gevonden, welke alternatieve normen worden voorgesteld en waarom andere doelen en instituties gerechtvaardigd of wenselijk zouden zijn.
Een ideeënstelsel en narratief hoeven daarbij niet reeds volledig gevormd te zijn voordat maatschappelijke verbanden rond de nieuwe ideeën ontstaan. Binnen een beweging kunnen zij juist verder worden geïnterpreteerd, bediscussieerd en ontwikkeld. De beweging wordt daardoor niet uitsluitend drager van een reeds voltooid ideeënstelsel, maar kan ook een omgeving zijn waarin de inhoud ervan verder vorm krijgt.
Doelgerichte maatschappelijke verandering kan niet volstaan met het overtuigen van afzonderlijke individuen. Alternatieve civilisatie-elementen moeten zodanig worden overgedragen en verspreid dat zij door voldoende individuen worden geïnternaliseerd, binnen relevante kringen worden gedeeld en maatschappelijk werkzaam worden. Voor zover de nagestreefde verandering dat vereist, moeten zij vervolgens ook in instituties worden vastgelegd.
Organisatie kan daarbij de continuïteit van overdracht en ontwikkeling vergroten. Kringen, organisaties, media, opleidingen en andere verbanden kunnen kennis bewaren, nieuwe deelnemers bereiken en de verspreiding minder afhankelijk maken van enkele individuele dragers. Binnen zulke kringen kunnen elites een bijzondere rol vervullen, maar ook zij blijven afhankelijk van het handelen en de reacties van anderen.
Doelgericht handelen kan reacties en verdere maatschappelijke veranderingen veroorzaken die niet door de actor zijn beoogd of voorzien. De gevolgen van het handelen veranderen daarmee zelf de omstandigheden waaronder actoren vervolgens verder kiezen en handelen.
De beoordeling van de uitkomst is eveneens civilisatorisch gekleurd. Naarmate een uitkomst beter aansluit bij de civilisatie-elementen van degene die haar beoordeelt, neemt de kans toe dat zij als het bereiken van het doel wordt aanvaard. Wanneer concurrerende actoren dezelfde uitkomst verschillend interpreteren, wordt de aanvaarding van hun uitleg mede bepaald door de aansluiting bij de civilisatie van hun aanhang en door het vertrouwen in de actor. Aanvaarding van zo’n uitleg kan de civilisatie-elementen waarmee zij wordt gelegitimeerd vervolgens opnieuw versterken.
De staat als bijzondere kring
De staat is binnen deze theorie een bijzondere territoriale kring waarop de algemene theorie van kringen van toepassing is. Ook de staat kent een kringcivilisatie, elites, instituties, machtsverhoudingen, sociale sanctionering en processen van civiliseren, reproductie en verandering. Zijn bijzondere positie berust niet op andere maatschappelijke mechanismen, maar op specifieke kenmerken van deze territoriale kring.
De staat onderscheidt zich van de meeste andere kringen doordat individuen zich niet door eenvoudige uittreding aan zijn territoriaal bindende regels en instituties kunnen onttrekken. Wie zich binnen het grondgebied bevindt, blijft in beginsel onderworpen aan de collectief bindende regels van die staat; onttrekking vereist doorgaans meer dan het beëindigen van lidmaatschap of deelname aan een afzonderlijke kring.
De staat maakt aanspraak op het exclusieve recht binnen zijn territorium dwang en geweld als legitiem middel toe te passen. Zijn maatschappelijke werking berust echter niet uitsluitend op de feitelijke mogelijkheid dwang toe te passen. Door civiliseren en de legitimerende civilisatielus kunnen de legitimiteit van de staat, zijn instituties en zijn aanspraak op collectief bindende besluitvorming onderdeel worden van persoonlijke en kringcivilisaties. Voor zover individuen deze legitimiteit erkennen en overeenkomstig de daarmee verbonden rollen, regels en verwachtingen handelen, dragen zij zelf bij aan de maatschappelijke werking en reproductie van de staatsorde.
De staat onderscheidt zich tevens doordat zijn sancties uiteindelijk met legitiem geachte dwang kunnen worden afgedwongen en niet door eenvoudige uittreding kunnen worden ontweken. De combinatie van territoriale gebondenheid, collectief bindende regels en de aanspraak op een geweldsmonopolie geeft staatssanctionering daardoor een bijzondere maatschappelijke werking.
De staat kan individuen en kringen verplichten middelen af te staan voor door de staat vastgestelde collectieve doelen. Belastingen zijn daarvan de meest algemene vorm. Anders dan bijdragen aan de meeste andere kringen berust deze afdracht niet noodzakelijk op vrijwillige deelname of individuele instemming met het concrete doel waarvoor de middelen worden gebruikt.
De bestuurlijke elite kan collectief bindende besluiten en machtsaanspraken legitimeren door deze voor te stellen als dienend aan het algemeen belang. Wat als algemeen belang wordt aangemerkt, wordt mede bepaald vanuit de civilisatie-elementen die binnen de bestuurlijke elite en de dominante kringcivilisatie van de staat werkzaam zijn. Deze legitimatie kan in verschillende, onderling concurrerende of veranderende narratieven worden uitgedrukt en hoeft niet door alle burgers volledig te worden gedeeld of geïnternaliseerd om maatschappelijk werkzaam te zijn.
The Art of Revolution
Of een maatschappelijke verandering als revolutie, hervorming of beperkte aanpassing wordt aangeduid, hangt mede af van de verandering zelf en van de civilisatie van degene die haar beoordeelt. Dezelfde maatschappelijke verandering kan daardoor door verschillende individuen en kringen verschillend worden gekwalificeerd. Voor de hier beschreven theorie is deze terminologische kwalificatie niet beslissend.
Voor de theorie is het alledaagse etiket daarom niet beslissend. Wel is de reikwijdte van politieke verandering analytisch relevant. Er bestaat verschil tussen een strijd om alternatieve besluiten binnen een bestaande civilisatie, een strijd om afzonderlijke civilisatie-elementen en een strijd die een samenhangend geheel van elementen van de dominante kringcivilisatie en haar instituties raakt. Deze vormen lopen in de werkelijkheid in elkaar over en een veranderingsproces kan tijdens zijn verloop van karakter veranderen.
Voor de hier ontwikkelde theorie blijft het onderliggende mechanisme centraal. Ideeën kunnen worden ontwikkeld en gedeeld, in ideeënstelsels en narratieven samenhang krijgen, door civiliseren onderdeel worden van persoonlijke en kringcivilisaties en uiteindelijk in instituties worden vastgelegd. Institutionalisering kan machtsbases van actoren versterken en zo bijdragen aan de maatschappelijke werking van die ideeën.
Onder The Art of Revolution wordt verstaan: de theorie over het doelgericht veranderen van civilisaties en van de maatschappelijke ordeningen die daarop berusten. Het doelgerichte handelen vindt daarbij altijd plaats binnen bredere maatschappelijke veranderingsprocessen die ook ongeplande en onvoorziene effecten kunnen voortbrengen.
Zowel aan beperkte als aan ingrijpende doelgerichte maatschappelijke veranderingen liggen dezelfde fundamentele civilisatiemechanismen ten grondslag. De mate waarin een maatschappelijke verandering ingrijpt, verandert niet de fundamentele mechanismen van civiliseren, internalisering, kringvorming, macht, institutionalisering, legitimatie en maatschappelijke verandering. Wel kunnen de omvang, complexiteit, duur en benodigde middelen sterk verschillen.
Bij ingrijpender veranderingen kunnen bewegingen ontstaan die nieuwe ideeën, een ideeënstelsel en een narratief ontwikkelen en verspreiden en civiliserende verbanden en instituties opbouwen. Zulke bewegingen hoeven niet centraal ontworpen of geleid te zijn. Zij kunnen geleidelijk ontstaan, uiteenlopende richtingen bevatten en zelf tijdens hun ontwikkeling veranderen. Wanneer hun civilisatie-elementen buiten de oorspronkelijke beweging worden geïnternaliseerd, gedeeld en geïnstitutionaliseerd, kunnen zij bijdragen aan bredere verandering van maatschappelijke ordeningen en machtsverhoudingen.
Daarmee komt de theorie terug bij haar centrale probleem. Mensen kunnen zich andere maatschappelijke verhoudingen voorstellen, deze wenselijk achten en proberen anderen ervan te overtuigen. Zolang zulke ideeën echter uitsluitend ideeën blijven, verandert de maatschappelijke ordening nauwelijks. Zij krijgen duurzame betekenis wanneer zij onderdeel worden van persoonlijke civilisaties, voldoende worden gedeeld om kringcivilisaties te veranderen of nieuwe kringcivilisaties te vormen, en uiteindelijk worden vastgelegd in instituties die menselijk handelen structureel beïnvloeden.
Dat is het proces waarin ideeën macht worden.